> nieuws

Nieuws

 
18 maart 2021

Inspiratie uit psalm 119

Dit voorjaar leest Douwe van der Sluis elke week een stukje uit psalm 119 en licht hij dat toe.
We beginnen met de nieuwste bijdrage.Daarna leest u de vorige bijdragen die beginnen met een inleiding en vervolgens de letter alef

 

De letter lamed:  “Ik ben van u”


Statenvertaling: 
89. O HEERE ! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.
90 Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan;
91 Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.
92 Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
93 Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
94 Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
95 De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
96 In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.


Tegenover de onzekerheid van de strofe die door de letter “kaf”  (ps. 119, 81-88) stralen deze acht verzen, beginnend met de letter  “l”, vastheid, zekerheid uit. Er is vastheid van plaats, in de hemel en de aarde;  er is vastheid van tijd: van geslacht tot geslacht. Aarde en hemel bestaan, staan vast door Gods geboden, opdrachten, wet, bevelen. Die bepalen het leven van de mens. Als jouw onderwijzing er niet was geweest, zou ik al lang vergaan zijn, zegt de dichter. Gods Thora wordt als een zinvol spel ervaren. Er staat een woord dat plezier, spel, verrukking kan betekenen. Ondanks onderdrukking of ellende het maakt dat de mens niet ten onder gaat, maar zinvol kan leven.


In een latere midrasj (rabbijnse uitleg)  wordt dit aspect aan de letter lamed toegekend. “De letter lamed verwijst naar het hart (lev!). Rabbi Akiba zei: lees niet alleen lev (hart) maar “lev dat doet begrijpen en in zien”. 


Alle ledematen van de mens worden gevoed en kunnen leven door het hart. Ook de liefde, de liefde voor God en de medemens is afhankelijk van het hart. Zoals in de schrift staat: “Je zult de Heer je God liefhebben met heel je hart. De rabbijnen zeiden naar aanleiding hiervan: “de Barmhartige vraagt naar het hart van de mens”.  Leven en liefde, twee sleutelwoorden voor het bestaan van mensen.
De relatie van God en mens bestaat door die twee woorden. Daarom zegt de dichter dan ook: “ik ben van jou”.  Maak mij vrij…. 
We kunnen in die woorden een paradox horen. Maar het is een wezenlijke paradox die behoort tot de Bijbelse grondnoties. Alleen in de relatie tot God kan de mens vrij zijn. 
In het verhaal van de bevrijding uit de slavernij in Egypte wordt gezegd: “ want voor mij zijn de zonen van Israël slaven, mijn slaven zijn zij die ik uit het land Egypte heb doen uitgaan” (Lev.25,55).  Het woord slaaf impliceert onderdrukking, benauwenis en onvrijheid. Maar de paradoxale zin: “het zijn mijn slaven” van God impliceert vrijheid. De basis van de relatie met God berust op de keuze van de mens om die relatie aan te gaan. Dat wordt uitgedrukt door het woord “verbond”, gesloten op de Sinaï. God voert Israël uit Egypte, uit de slavernij naar de vrijheid. Want alleen vrije mensen kunnen kiezen en een verbond, verplichtingen aangaan.  “Ik ben van jou, maak mij vrij…”   De paradox dat een mens pas vrij kan zijn wanneer hij zelf kan kiezen voor de Thora, voor de verplichtingen die het verbond impliceert, in de relatie met God.  Dit inzicht geeft de dichter de mogelijkheid om deze strofe af te sluiten met de woorden: wijd, ruimte gevend is jouw gebod, zeer……

 

Hieronder vindt u de vorige bijdragen die beginnen met de inleiding: 

 

De acht gezichten van het “woord” van A tot Z

“Links  van mij staat een muur met daarop een “a” en rechts  een muur met een “z”. Daartussen zit ik gevangen. Vraag me waarvan ik verlost wil worden dan is het van het alfabet”…..
Met deze woorden begint Marja Pruis haar essay in de Groene Amsterdammer   waarin ze schrijft over haar rol als recensente. 
Ze schrijft verder: “Aangezien alles wat ik doe, en ook al zo lang ik me kan heugen, te maken heeft met wisselende combinaties van die 26 letters……. “
Ze doelt op het alfabet, in de westerse talen bestaande uit 26 letters, in het Hebreeuwse taal uit 22 letters.

Het alfabet is minstens een even grote uitvinding als het moderne computerschrift. In plaats van tekeningen of tekenschrift (zoals het Egyptische hiërogliefenschrift) gaf het alfabet de mogelijkheid met die wisselende combinaties van letters als medeklinkers (al dan niet aangevuld met klinkers) op te schrijven wat we zeggen, woorden en zinnen op schrift te vormen op een manier die iedereen kan ontcijferen.
Alles wat we doen en zeggen heeft te maken met de letters van het alfabet. Het is geen wonder dat van de antieke tijd men gefascineerd was door de geweldige mogelijkheden van het “alfabet”. Alles wat gezegd, wat gedacht kan worden is al gevat in de letters van dat alfabet.
In de grote monotheïstische religies begint de openbaring met de optekening daarvan: Exodus 31, 18 En hij gaf aan Mozes toen hij met hem op de berg Sinaï te spreken geëindigd had, de twee tafelen van de getuigenis, tafelen van steen, beschreven met de vinger Gods. 

De openbaring zit las het ware –met de woorden van Marja Pruis- “gevangen” tussen de a en de z, of in het Hebreeuws tussen de alef en de taw.  Het is dan ook geen wonder dat al in de vroegste tijden van de Bijbelse geschiedenis het alfabet gebruikt wordt om de volheid of heelheid van de openbaring –het woord- aan te geven. 
Heel duidelijk zien we dat in een aantal gedichten in het boek der psalmen. Daar wordt het alfabet gebruikt als een vaste structuur om die “heelheid” vorm te geven. Het zijn zogenaamde “alfabet” liederen  . 
De langste psalm (en tegelijkertijd ook het langste hoofdstuk van de hele Tenach) psalm 119 is een schitterend voorbeeld van zo’n alfabet lied.  Het telt 22 strofen, elk bestaande uit 8 verzen. In elke strofe komen acht woorden voor die synoniemen zijn voor de Tora. Deze acht woorden aspecten van de “onderwijzing” de openbaring van God. Daarom wordt de psalm i de traditie ook wel de psalm van de “acht gezichten” genoemd. 


De komende weken wil ik met u -aan de hand van deze psalm- telkens één letter van het alfabet bekijken.
Dat wil zeggen telkens lezen we acht verzen met de “acht gezichten van de Tora”. 
Is de omvattende structuur van het alfabet een benauwende gevangenis waarin het woord opgesloten is?
Of geeft die structuur, zo bepalend voor alles wat we zeggen en doen de ruimte waarin “openbaring”  gehoord wordt en kan geschieden?

 

Gaaf zijn: het begin – de letter alef

Al wie gaaf van weg zijn: zalig!, 
die wandelen volgens het onderricht van de Ene! 

Al wie houden zijn overeenkomsten: zalig!- 
met heel het hart hem zoeken! 

Ach nee, valsheid begaan zij niet, 
zij wandelen op zijn wegen. 

Al uw verordeningen hebt gij geboden
om ten zeerste te bewaken. 

Ach, waren mijn wegen vast genoeg
om uw inzettingen te bewaken. 

Aan schaamte zou ik voorbij zijn 
als ik acht sloeg op al uw geboden. 

Aan u breng ik dank in oprechtheid van hart, 
nu ik leer uw gerechte regels. 

Al uw inzettingen zal ik bewaken; 
verlaat mij niet te zeer!

(Vertaling uit de Naardense Bijbel)


We kennen allemaal de zogenaamde zaligsprekingen uit de Bergrede van Jezus. Het woord zalig heeft in de loop van de tijd een religieuze betekenis gekregen die vaak niet met de werkelijkheid in verbinding staat. Als we het echter anders vertalen dan worden die woorden misschien wat minder “hemels”. Het woord zalig (in het grieks - makarios) kan op grond van het Hebreeuwse woord (asjree) ook met “gelukkig” vertaald worden. En dan klinkt het anders. Met dat woord gelukkig begint het alfabet gedicht van Psalm 119. 
Gelukkig zijn degenen die  gaaf zijn op hun weg….. (letterlijk: de gaven van weg). Het is misschien geen wonder dat het lied dat de heelheid van de openbaring, de aanwijzing ten leven van God bezingt, begint met de woorden:  “geluk is voor degenen die gaaf van weg zijn.
Het woord “gaaf” speelt een belangrijke rol in de Bijbelse literatuur, zowel in de wetten en voorschriften van de offercultus (een offer moet gaaf zonder fout of smet zijn) als ook in de poëtische en vertellende literatuur.  Gaaf zijn is dan zowel een uiterlijke als een innerlijke kwaliteit van de mens
Spreuken 11,20  Een afkeer voor de Heer zijn de degenen die verwrongen zijn van hart
        Zijn welwillen is voor degenen die gaaf zijn van weg….

Psalm 119 begint met dat betekenisvolle woord “gelukkig”. In de eerste acht verzen van deze psalm die allen beginnen met de letter alef, de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet, wordt dat woord toegepast op de mens, die “gaaf” is. Zoals in het citaat uit Spreuken gaat het daarbij om de daden, zichtbaar, als om de gedachten (niet zichtbaar) van de mens. 

Gelukkig is degenen die zijn weg gaaf gaat, die in oprechtheid van heel zijn hart denkt. Al deze woorden komen in de eerste acht zinnen van de psalm voor. Gaaf ben je, wanneer je gaat naar de Thora (de aanwijzingen, de leer, het onderwijs) van God. De “lering”  krijgt in deze eerste acht zinnen al de uitleggingen die in alle strofen van de psalm bij elle letters herhaald zullen worden: Thora, getuigenis, weg, bevelen, geboden, wetten, rechtsinzettingen, gerechtigheid.

Het gaan, gaaf, op die weg is geen vanzelfsprekendheid dat een mens aangeboren zou zijn. Hij moet dat leren. De letter alef, de letter van het begin,  wordt dan ook met het (Aramese) woord alef (is studie) verbonden. En ook dat aspect komt aan de orden in deze eerste acht regels: “wanneer ik leer de rechtsinzettingen van uw gerechtigheid”…..

Gaaf zijn is geen aangeboren karaktereigenschap. Je moet het leren en in de praktijk toepassen. De eerste Doopsgezinden meenden dat zij op grond van deze Bijbelse opdracht gemeenten zonder “vlek of rimpel” zouden kunnen vormen. Onze geschiedenis leert dat dit ideaal ook misbruikt kon worden om de ander de les te lezen. Gaaf zijn is geen voorrecht!
Misschien is het daarom dat het laatste vers van de eerste “alef” strofe eindigt met de eerlijke woorden dat een mens dat niet zonder hulp van God gaaf kan zijn: “Uw wetten zal ik houden, (maar) verlaat mij niet al te zeer”…….

 

De letter beth (psalm 119, 9-16)

9. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden ?
Als hij dat houdt naar Uw woord.
10 Ik zoek U met mijn gehele hart,laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11 Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12 HEERE ! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
13 Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
14 Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
15 Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
16    Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.

De (oude) Statenvertaling heeft niet geprobeerd, zoals de Naardense Bijbelvertaling dat wel deed om het alfabet schema ook in het Nederlands toe te passen.
Maar wel wordt bij elke strofe van acht verzen aangegeven welke letter hier van toepassing is.

We zijn in vers 9-16 bij de beth. In het Hebreeuws wordt dit teken gebruikt: ב. 
Het Hebreeuws wordt van rechts naar links geschreven. Dus de beth is van achteren, van onder en van boven gesloten. Maar naar links is de beth open.  Zoals bij vele andere letters van het Hebreeuwse alfabeth worden op basis van de vorm vele verhalen verteld. Een daarvan is de volgende:

Waarom werd de wereld met een beth geschapen? (het eerste woord van de bijbel is Bereesjiet = in het begin). Zoals de beth aan alle kanten gesloten is, maar open aan zijn voorkant, zo moet jij je niet afvragen wat boven, wat onder en wat eerder of achter je is, maar van af de dag dat de wereld geschapen werd…. (Bereesjiet Rabba 1,1) Deze uitleg wil zeggen dat de mens zich niet moet bezig houden of zich zorgen moet maken of moet speculeren wat voorbij is,  maar wel wat toekomst gericht is en wat te maken heeft met onze werkelijkheid! 

Zou het daarom zijn dat de acht verzen die met een beth beginnen als eerste vraag hebben: wat moet een jonge man doen om op de goede manier te leven? Als “jonge man” staat voor een mens die aan het begin van zijn leven staat en zich zal moeten afvragen wat te doen hoe te leven, dan is de beth een goed symbool als gericht op de toekomst…..

De beth is ook de letter die het getal twee aangeeft.  In onze wereld die me de letter 
“beth” is geschapen bestaat altijd de keuze tussen twee tegengestelde uitersten: goed en kwaad,  waarheid en leugen, oordeel en barmhartigheid. De vrije keuze van de mens zal extreem gezegd altijd tussen die  twee uitersten plaats vinden.

Je zou op grond van deze vertellingen misschien de eerste zin met een beth zo kunnen vertalen: waarmee, met welke keuzen kan je een goed leven mogelijk maken?

 

Ik ben een vreemdeling op aarde…… de letter gimel

Statenvertaling:
17 Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
18 Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
19 Ik ben een vreemdeling op de aarde, 
verberg Uw geboden voor mij niet.
20 Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
21 Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, 
die van Uw geboden afdwalen.
22 Wentel van mij versmaadheid en verachting, 
want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
23 Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, 
heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
24 Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden


David –in de traditie gezien als de dichter van de psalmen- schrijft: ik ben een “vreemdeling” op aarde. (vers 19) Een vreemde zin, zo midden in de derde strofe van psalm 119.  De derde strofe -die van de letter “gimel” (uitspraak zoals in het Engelse ‘good’)-, begint met de woorden in de vertaling van de Naardense Bijbel: gun het uw dienaar, dat ik mag leven. Letterlijk staat er: vergeld, vergoed het aan jouw dienaar, ik zal leven….

‘Vergelden’ heeft  in het Nederlands vaak een negatieve lading. In het Hebreeuws daarentegen is de betekenis meestal positief: het weer terugdoen wat  je zelf als goed hebt ontvangen en ervaren. Vergoeden is dan ook een betere vertaling. En in die zin vertaalt ook de Statenvertaling : “doe goed aan jouw knecht”. 
En het goed doen wordt vanzelfsprekend in deze psalm uitgelegd:  in de mogelijkheid de Thora te kennen, daarnaar te leven, te begrijpen. Opdat de dichter met heldere blik de woorden, de regels, de inzettingen als raadgevers  (tegen alles in: de machtigen, de kwaaddoeners, de hoogvaardigen, de ontkenners) in het leven met vreugde kan begrijpen en doen.
En dan die zin: een vreemdeling ben ik op aarde…. Het woord vreemdeling, in het Hebreeuws ‘geer”,  is ook al in de bijbel, zoals tot op de huidige dag iemand die geen rechten kent. Het is iemand die met een ouderwetse Bijbelse term: een bijwoner is en afhankelijk van de toevallige gunst van de ingezeten burgers! Hij heeft letterlijk “geen vaste grond onder de voeten”. Hier wordt de term overdrachtelijk gebruik: alleen de geboden geven de psalmdichter vaste grond onder de voeten: “een vreemdeling” is hij wanneer het zicht daarop verborgen is.

In de midrasj, joodse vertellende uitleg, wordt “geer” ook op een andere manier uitgelegd. “geer” kan ook bekeerling betekenen. Een bekeerling –iemand die net tot het Jodendom is overgetreden- weet nog niet veel van de Thora, is daar nog onzeker in en heeft nog geen vaste grond daarin gevonden. De uitleg zegt dan: Als David, die toch beschouwd kan worden als een kenner van de Thora, van zichzelf zegt, dat hij nog maar een “geer” is als een onwetende bekeerling, hoeveel te meer moeten wij dan bescheiden zijn in onze pretentie te weten hoe het moet? 

Ik ben een vreemdeling…. De woorden roepen een rijkdom van beelden en associaties op: wat zeggen we (ook in onze christelijke traditie) dat we vreemdeling zijn op aarde en afhankelijk zijn van het “goed doen” van God? Wat zeggen we als we erkennen dat we wie en wat we ook zijn telkens maar aan het begin staan van wat geloven, van wat het doen van Gods wil, kan zijn?

 

In de ‘dalles’ zitten: de letter daleth

Statenvertaling:
25 Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
26 Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
27 Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
28 Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
29 Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
30 Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
31 Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE ! beschaam mij niet.
32 Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.

 “Daar ligt mijn ziel, gekleefd aan het stof” … zo vertaalt de Naardense Bijbel het eerste vers van de vierde strofe: de dalet, de “d” strofe van psalm 119. 
In het stof, in de narigheid zitten wordt in het (Amsterdamse) Jiiddisch ook wel in de “dalles”  zitten, genoemd. Hoe komt men daarbij?
De eerste zin van de “daleth” strofe  bepaalt de sfeer van de volgende verzen Mijn ziel kleeft aan het stof….. “ Deze uitdrukking wordt ook in andere ‘klaagliederen’ in het psalmenboek gebruikt. Nog sterker klinkt het in psalm 44: “ want naar het stof is onze ziel gebogen, onze buik kleeft aan de aarde”. Het is een uitdrukking van opperste vertwijfeling: je kunt geen kant meer uit, vastgekleefd….. Het woord נפש, nèfesj,  dat gebruikelijk met ziel wordt vertaald is in de bijbel niet onsterfelijke deel van de mens. Het duidt eerder het leven van de mens aan, de persoon in zijn of haar heelheid. De vraag naar herleven in onze psalm is de vraag naar het echte, niet ingeperkte, aan stof vastgekleefde leven… 

Nog een andere uitdrukking van beklemming horen we in deze strofe: “mijn ziel druppelt weg door verdriet”. Het leven druipt als het ware weg door, verslapt als zand tussen de vingers. De vraag na deze klacht is dan ook: doe mij staan, geef mij bestaansrecht!
De letter “daleth” die de eerste letter van elk vers is in deze strofe wordt in de Joodse traditie misschien dan ook niet zonder reden met het woord דל , (dal) , dat geringe, arme ,nederige, ellendige  betekent, geïdentificeerd.  

Er wordt verteld in de talmoed dat de kinderen in het leerhuis een ezelsbruggetje gevonden hadden om het alfabet te kunnen onthouden. Over de derde en de vierde letter zeiden ze dit: Gimel daleth  betekent gemol dalim (גמול דלים), doe goed aan de zwakken!  En zei men: zoals de gimel (de Hebreeuwse letter) open naar voren geschreven wordt, zo moet je altijd open zijn om te geven aan de zwakken. Maar omdat de daleth gesloten is naar de gimel toe, zo moet je weten dat je niet openlijk geeft opdat de zwakke niet beschaamd zal worden (dat hij afhankelijk is van de goedheid van anderen!.....

Wij kennen in onze taal de uitdrukking: in de dalles zitten. Deze uitdrukking gaat terug op het Hebreeuws en betekent in de penarie, in de armoede zitten. Maar deze strofe die gaat over de aan het stof gekleefde Dal, arme, blijft daar niet bij.

Het woord kleven aan, komt nog een keer in deze strofe voor: “ik zal aan jouw getuigenissen kleven, zegt de dichter. Het antwoord op het benauwende vastgekleefde, wegvloeiende leven vindt hij in de leven gevende, standvastigheid verschaffende onderwijzing van God: dat wil zeggen: zijn Thora, zijn geboden. Het kleven daaraan is de weg van trouw (het woord voor waarheid in de Bijbel tegenover het woord leugen). Die weg met enthousiasme te gaan, te rennen staat er in het laatste vers, geeft ruimte die de benauwdheid van het eerste vers opheft: “want Jij hebt mijn hart ruim gemaakt!”

PS
De eeuwen door zijn de psalmen gezongen. Muziek en zingen zijn een wezenlijk deel van onze manieren geloof te beleven en te belijden. Naar aanleiding van deze columns op Doopsgezind.nl  schreef Hugo van Veen  (klik hier voor zijn hele artikel op Musica 1600) : Heinrich Schütz, de belangrijkste Duitse kerkmusicus uit de 17e eeuw zette kort voor zijn dood (en hij werd zeer oud!) geheel Psalm 119 op muziek.  Het werd zijn grootste werk én Meesterwerk!   Schütz had een zwaar leven (o.a. de 30 jarige oorlog).   Zijn vrouw stierf toen zijn twee dochters nog maar 2 en 4 waren en ook zijn stierven voordat Schütz aan zijn einde kwam.   Dit leed, maar ook zeker troost, zijn klinkend vervlochten in zijn Psalm 119.   Voor 8-stemmig dubbelkoor en “zwei Orgelinnen” volgens zijn eigen toelichting.  Twee van de acht stemmen zijn helaas zoekgeraakt, maar knappe musicologen hebben deze stemmen heel goed kunnen reconstrueren.  Er bestaat een fraaie opname door Philippe Herreweghe op twee CD’s.   ….. .  Ze vormt de schakel die deze oude Psalm (de geconcentreerde Bijbel…) vertaalt naar een “gezicht” in onze westerse cultuur.  Zoals veel meer elementen uit de 16e/17e eeuw dat doen...


De vorm van de Hebreeuwse letters, de gimel en de daleth,  gaf aanleiding tot de in de column genoemde uitleg:

 

Thora leren: de letter hee- ה


Vertaling: Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) 
33 Onderwijs mij, HERE, de weg uwer inzettingen, dan zal ik die bewaren ten einde toe.
34 Geef mij verstand, dan zal ik uw wet bewaren, en haar van ganser harte onderhouden.
35 Doe mij het pad uwer geboden betreden, want daarin heb ik lust.
36 Neig mijn hart tot uw getuigenissen en niet tot winstbejag.
37 Wend mijn ogen af, zodat zij geen ijdele dingen zien, maak mij levend door uw wegen.
38 Bevestig uw belofte aan uw knecht, die uw vreze toegedaan is.
39 Wend mijn smaadheid af, die ik vrees, want uw verordeningen zijn goed.
40 Zie, naar uw bevelen verlang ik, maak mij levend door uw gerechtigheid.

Onderwijs mij: Het eerste woord van de volgende acht regels in het alfabet lied (psalm 119) is het woord: leer mij, onderwijs mij.
En dat woord bepaalt de volgende acht verzen. Op alle mogelijke manieren  wordt leren hier met synoniemen of interpretaties aangevuld: 
“verstand, inzicht geven, begrip ”(vers 34) ; op de “weg” zetten (vers 35); het hart doen neigen (vers 36); de ogen weg wenden van wat niks is (vers 37), werkelijkheid doen zijn (vers 38); geen smaad erom ervaren (39); er naar verlangen (40).

Thora leren wordt hier voorgesteld als: met alles wat in je zit doen, er mee op weg gaan, emotioneel en verstandelijk begrijpen, zodat je er je niet voor hoeft te schamen, een voortdurend verlangen zodat je het leven op een goede, niet uitbuitende manier maar rechtvaardig geleefd kan worden: je leven niet voorbij laten gaan met futiele zaken. 

In een tel-liedje dat op het eind van de Joodse pesach (paas) maaltijd  wordt gezongen wordt het volgende van de hee, de vijfde letter gezegd:
“vijf , wie weet het?  Vijf ik weet het: vijf dat zijn de vijf boeken van de Thora…” …” (אחד מי יודע - שירי פסח - YouTube) 

De vijf boeken van de Thora staan voor de hele onderwijzing, de leer van het Jodendom, in het centrum waarom heen alles zich gevormd heeft en nog steeds vormt. Het “leren” daarvan is daarmee de kern van wat wij in onze christelijke traditie “geloven” noemen. Echter geloven heeft in de loop der eeuwen teveel de betekenis gekregen van “aannemen wat je voorgeschoteld krijgt”. Geloven wordt dan vaak geïdentificeerd met iets wat onwaarschijnlijk, niet rationeel, naïef en kinderlijk zou zijn. Inzicht en verstand staan dan tegenover geloven.

Als Jezus op het einde van het Mattheüs evangelie zijn discipelen de opdracht geeft “onderwijst de volken”, vraagt hij niet dat we ons verstand uitschakelen. Integendeel hij staat daarmee in de lange steeds voortdurende traditie van psalm 119 van: “onderwijs mij”…. 

 

In de ruimte wandelen…. de letter waw…


psalm 119,41-49
41 Laat Uw blijken van goedertierenheid over mij komen, HEERE, Uw heil overeenkomstig Uw belofte.
42 Dan heb ik hem die mij hoont iets te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
43 Ontruk het woord van de waarheid niet geheel en al aan mijn mond, want ik hoop op Uw bepalingen.
44 Dan zal ik steeds Uw wet in acht nemen, voor eeuwig en altijd.
45 Ik zal wandelen op ruime baan, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
46 Ook zal ik voor koningen spreken over Uw getuigenissen en mij niet schamen.
47 Ik verblijd mij in Uw geboden, die ik liefheb.
48 Ik hef mijn handen op naar Uw geboden, die ik liefheb, en overdenk Uw verordeningen.
 (Herziene Statenvertaling )

De acht regels van de zesde strofe van psalm 119 beginnen met de zesde letter van het Hebreeuwse alfabet de “waw”.  In de mystieke Joodse tradities wordt veel aandacht besteed aan de letters (waarmee de Thora, de hemelse onderwijzing) wordt overgeleverd. 
De waw , - in het Hebreeuws zo geschreven: ו - krijgt een speciale associaties. Zoals de “hee” de vijfde letter van het alfabet met Gods gerechtigheid wordt geïdentificeerd, zo krijgt de “waw”  de betekenis van zijn barmhartigheid.

De het “waw” heeft een belangrijke functie in een Hebreeuwse tekst. Vast geschreven aan het woord dat erna komt kan het vertaald worden met: ‘en’ of ‘ook’  als voegwoord. Maar het kan ook tegenstellend zijn: ‘maar’.  Of: redengevend: ‘dan’ ….
Komend na de “hee” (vijfde str ofe van psalm 119) die zou spreken over Gods  rechtvaardigheid duidt de “waw” “ dan aan: en, maar, en dan is hij òòk barmhartig.

Zou het daarom zijn, dat in deze zesde strofe woorden die met barmhartigheid verbonden kunnen worden zo duidelijk aanwezig zijn?  In de  vertaling van de Herziene Statenvertaling (2010) horen we de volgende woorden: “goedertierenheid, vertrouwen, waarheid, hoop, niet schamen, verblijden, liefhebben… 

En in het midden de woorden: Ik zal wandelen op ruime baan. In de oude Statenvertaling staat: ik zal wandelen in de ruimte…. Soms wordt dit als volgt geïnterpreteerd als : Gaan in de ruimt e betekent “gaan op een ruime weg, waar je niet kunt struikelen, geen fouten kan maken omdat je Gods geboden hebt gehoorzaamd”.
 Dat zou je dan kunnen uitleggen: wanneer je maar braaf doet wat je opgedragen krijgt dan komt het wel goed. 

In de ruimte gaan is kan echter meer betekenen. Het woord “zoeken” in het tweede gedeelte van de zin is meer dan gehoorzamen, precies doen wat je moet doen. Het heeft als eerste betekenis: onderzoeken, speuren naar de werkelijke betekenis. Het is zoeken naar de zin van wat God van ons vraagt en leert in zijn Thora. 
Daardoor kun je in de ruimte staan, op een ruime weg ‘wandelen’.  Omdat voor mij dan de wegen van waarheid en trouw geopend zijn zegt David in de psalm. Die geboden kun je liefhebben, omdat je zelf de zin en de betekenis hebt bespeurd. 

De ruimte die je dan voor jezelf hebt geschapen in je relatie met God komt tot ontplooiing in het laatste vers met wijd uitgespreide armen de handen open naar dat wat we kunnen doen: de geboden die we speurend, onderzoekend liefhebben…..

 

Piekeren in de nacht, sores in de nacht  / over de letter zajin

(in de NBG vertaling) 
49 Gedenk het woord tot uw knecht, omdat Gij mij hoop hebt gegeven;
 50 dit is mijn troost in mijn ellende, dat uw belofte mij levend maakt.
 51 Hoezeer overmoedigen mij bespotten, van uw wet wijk ik niet.
 52 Als ik denk aan uw verordeningen van ouds, o HERE, dan ben ik getroost.
 53 Verontwaardiging greep mij aan vanwege de goddelozen, die uw wet verlaten.
 54 Uw inzettingen zijn mij tot snarenspel in het huis van mijn vreemdelingschap.
 55 Des nachts gedenk ik uw naam, o HERE, en onderhoud ik uw wet.
 56 Dit is mij ten deel geworden, omdat ik uw bevelen bewaar.
 (Ps. 119:49-56 NBG)

Herdenken, gedenken, denken aan, herinneren zijn allemaal mogelijke vertalingen voor het Hebreeuwse woord, zachar. 
Met dit woord begint de zevende strofe van psalm 119.
Gedenken, herdenken herinneren zijn woorden die we tot Bijbelse sleutelwoorden kunnen rekenen. Dat wil zeggen woorden die een fundamentele rol spelen. Tot op de huidige dag is het woord gedenken wezenlijk in Jodendom en christendom. 

Bij het ingaan van de sabbat wordt steeds gezegd: “de sabbat zijn heiligdom heeft hij met liefde en met wil ons als bezit gegeven, als een herinnering aan het werk van de schepping, ….. een gedenken van de uittocht uit Egypte” … 
Gedenken, herinneren op de dag dat we niet veranderend aan het werk zijn, wordt zo bewust worden dat we deel zijn van Gods schepping en dat we vrije mensen zijn.

In de liturgie van het christelijke avondmaal of eucharistie drinken wij de wijn en eten wij het brood “ter gedachtenis” aan de dood van Jezus. Het zijn rituelen die ons herinneren dat wij vrije mensen zijn als navolgers van Christus.

Dit woord gedenken, denken aan, herinneren aan, komt drie keer voor in deze zevende strofe van psalm 119. Eén keer wordt aan God gevraagd te denken aan het woord gesproken aan de mens. En als dat woord toekomst heeft, bestaat er hoop.

En twee keer staat het werkwoord denken aan, gedenken, herinneren in de eerste persoon: 
“ik dacht aan, herinnerde mij” jou rechtsinzetting, God, en daardoor werd ik getroost. Ik werd getroost omdat ik ondanks dat “overmoedigen of goddelozen” rondom mij bestaan,  ik mij toch herinner tot mijn troost, dat er gerechtigheid, recht,  bestaat!

En er staat: Ik dacht in de nacht, ik herinner mij in de nacht…… Waarom in de nacht? 
In de Joodse uitleg literatuur komen we verschillende interpretaties tegen die allen iets zeggen over wat “gedenken” kan inhouden.

De een zegt: ik dacht in de nacht, dat wil zeggen in de tijd van benauwenis, angst en zorgen (Rasji 1040-1105). De nacht staat zoals bij velen van ons voor de tijd waar de angsten en zorgen opkomen. Angsten en zorgen is in het Jiddisch ontleend aan het woord benauwenis: sores. En hoe kennen we dat: sores in de nacht!

Of een ander zei: de nacht staat voor de eenzaamheid van de mens. Door uw naam te herinneren, weet ik dat ik niet alleen ben.. (Menachem ben Sjelomo Meiri 1219-1316).
En een ander zegt: “in de nacht dacht ik aan uw grootheid, God en daardoor wist ik beter wat overdag te doen….(Ibn Ezra 1089-1164).

Gedenken, herinneren: verschillende interpretaties, die opgeroepen worden door het woord nacht in deze zevende strofe. Hoe herkenbaar voor ons als we ’s nacht wakker liggen, piekeren, herinneren, lijstjes maken voor de volgende dag, herinneren wie we zijn en wat we zijn.

 

Bedenken wat te doen: over de letter cheth,
de achtste letter van het Hebreeuwse alfabet

Psalm 119: 57-64 (Statenvertaling)
Cheth.
57 De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.
58 Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
59 Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.
60 Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
61 De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
62 Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.
63 Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.
64 HEERE ! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.

De vorm van deze achtste letter ziet er in de Hebreeuwse schrijfwijze zo uit: ח. Bij de vele verhalen rondom deze letter wordt dit verteld: De cheth is samengesteld uit twee keer de letter zajin  die er aan voorafgaat, ז. Deze twee “zajins” zijn met hun bovenkanten aan elkaar verbonden. Met andere woorden, volgens deze uitleg,  symboliseert de cheth eendubbelzinnigheid: ze heeft, zegt men, twee gezichten. Misschien wordt deze dubbelzinnigheid nog versterkt door twee woorden die in het Hebreeuws met een cheth geschreven worden: het woord zonde (chata’a), het dodende en het woord leven (chayim).  
De keuze is aan jullie zegt als het ware de letter cheth tegen ons

In de achtste strofe van psalm 119  zou op die keuze gezinspeeld kunnen worden. Er staat in vers 59:
Ik heb mijn wegen overdacht (of berekend)
En ik deed mijn voeten terugkeren naar jouw getuigenissen…
Je kunt hierin horen een overdachte keuze: je kijkt naar je “wegen”, dat wil zeggen naar je manieren van leven, je levensweg. Overdenken of berekenen? 

In de eerste eeuwen van onze jaartelling waren er rabbijnen die over dat nadenken, of berekenen discussieerden:
De een zei: David –in deze psalm wil zeggen: elke dag was ik aan het overdenken en zei ik: ik ga naar die en die plaats. Maar uiteindelijk brachten mijn voeten mij toch naar de synagogen en de leerhuizen…..
Een ander zei: Ik overdacht wat het nut van de geboden was en het verlies van de overtredingen, en daarom deed ik mijn voeten terugkeren naar uw getuigenissen!
En weer een  ander zei: Ik dacht aan wat er geschreven staat in de Thora: “ik zal vrede geven in het land….”
Naast andere meningen en uitleggingen geven deze interpretaties aan wat kiezen, bedenken of berekenen kan betekenen.
Soms denk je dat je zelf beslist, dat je zelf de toekomst kunt berekenen. Maar goede gewoonten, gebruiken en tradities kunnen soms toch de doorslag geven. 
Of naar de tweede mogelijkheid: je probeert je leven te regelen naar een winst en verlies rekening. Wat levert het me op….
Of: je keuze heeft en diepere motivatie, een wezenlijke intentie: ik probeer een keuze te maken die heelheid, sjaloom, vrede kunnen geven…

De dubbelzinnigheid van de letter cheth geeft aanleiding zoals de woorden in deze achtste strofe van psalm 119 ons af te vragen, steeds weer: wat te doen als ik “mijn wegen bedenk”…. 

 

Goed is het voor mij dat ik onderdrukt werd…..
De letter thet

Psalm 119, 65-72 
Vertaling: I.G.M.Gerhardt en M.H. van der Zeyde: De Psalmen uit het Hebreeuws vertaald. (Wageningen, 1972)

Hoe hèbt gij uw knecht goedheid bewezen,
getrouw, o Heer, aan uw woord!
Leer mij onderscheiding en inzicht,
vaste grond vind ik in uw geboden.
Eer ik mij boog was ik een doler:
thans houd ik mij strikt aan uw woord.
Goed zijt gij slechts – uw handelen is goedheid;
leer mij wat uw verbondseisen zijn.
Onwaarachtigheid wijt men mij, schaamteloos:
mij, vurig uw opdrachten trouw
Verhard is hun hart, toegesloten;
mìj – hoe brèngt mij uw wet in vervoering!
Mijn verdrukking werd mij tot zegen:
uw verbondseisen heb ik begrepen.
De wet – uw woord- is mij méér waard
dan goud en zilver bij schepels.


De letter tèt is de negende letter van het Hebreeuwse alfabet. En de negende strofe van psalm 119 begint met deze letter in het woord “tov”. Een Hebreeuws woord dat volledig ingeburgerd is onze taal en spreekgewoonten.  Tov, goed heb je gedaan: daarmee wordt de toon van deze strofe gezet.  Goedheid hebt u bewezen, vertalen Gerhardt en van der Zeyde. In het Hebreeuws zal in deze acht regels het woord goed, tov, zes keer voorkomen. 
Met als scharnier-moment in het kleine gedicht: goed ben jij, en goed doe jij (in de vertaling hierboven: Goed zijt gij slechts – uw handelen is goedheid; Aan het eind keert het woord “tov” nog een keer terug: goed is het voor mij: jouw leer, meer dan duizenden van goud of zilver….

Maar bij alle goedheid klinkt toch ook een antifoon: een tegenstem die een vraagteken zetten tegenover al dat goed….:  Twee keer in deze acht regels, in het eerste gedeelte en het tweede gedeelte staat een woord dat het tegendeel van goed lijkt te zeggen: het is het woord onderdrukking, bezoeking, kwelling, teistering. Schaamtelozen (vertaling hierboven) of trouwelozen lijken hier debet aan te zijn. “Met leugens werd ik door hen overdekt”. Het tegendeel van goed zou van de kant van deze trouwelozen of schaamtelozen komen, wier hart  de dichter met een sterke metafoor beschrijft: als met smerigheid is bedekt. Zijn het de tegenstanders die de dichter kwellen? Toen ik nog niet gekweld werd, dwaalde ik. Ik had geen doel. In de tegenslag, de tegenstand, door de rampspoed gedreven kwam ik weer op de weg van de Thora. Ja staat er: goed was dat ik bezocht werd door tegenstand. In de woorden van Gerhardt en vander Zeyde: mijn verdrukking werd mij tot zegen.
Heeft de dichter geleerd van zijn tegenslag? Kan hij daarom zeggen dat de tegenslag, de kwelling, ten goede was? Is het slechts een andere manier van zeggen dan het spreekwoord: nood leert bidden? 
Of horen we in deze strofe iets van onze eigen werkelijkheid nu we door de corona crisis gedwongen zijn na te denken, te beslissen en te handelen om zaken waar het werkelijk om gaat?

 

De tiende strofe: de jod
“trouw, ook toen je mij liet bukken”

Vertaling: Naardense Bijbelvertaling
73 Jouw handen hebben mij gemaakt,  hebben mij bevestigd, ✡
schenk mij inzicht, ik zal leren jouw geboden!
74 Je vereerders  zullen mij zien en zich verheugen, ✡
want op jouw woord heb ik gewacht!
75 Je rechtsregels, Ene, wist ik gerechtigheid, ✡
en trouw, ook toen je mij liet bukken.
76 Jouw vriendschap, laat die er toch zijn om mij te troosten, ✡
zoals jij je dienaar hebt gezegd.
77 Ja, komt jouw ontferming over mij, dan leef ik op, ✡
want jouw onderricht is mijn verkwikking.
78 Ja, dat beschaamd staan ziedende lieden die mij hebben gewrongen in leugens, ✡
en ik jouw orders mag overpeinzen!
79 Je vereerders, dat die bij mij terugkeren, ✡
zij die kennen jouw overeenkomsten.
80 Jouw inzettingen, laat mijn hart volmaakt daarbij zijn, ✡
opdat ik niet zal worden beschaamd!

Met een klein sterretje geeft Pieter Oussoren, de vertaler van de Naardense Bijbelvertaling, aan waar de scheiding in de zinnen van dit gedicht staan. Deze vertaling is bijzonder: zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst. Bovendien is Oussoren ook in staat geweest van Psalm 119 een “alfabet” lied te maken. In deze tiende strofe die met de letter jod begint, laat hij elke zin beginnen met een “j”. Aansluiten bij de oorspronkelijke tekst is in elke vertaling –die altijd een interpretatie is- een geweldige inspanning.

Deze strofe van psalm 119 zet in met de woorden: Jouw handen hebben mij gemaakt”. De intimiteit en betrokkenheid worden in deze acht regels herhaald in woorden als “trouw”, “troost”, “ontferming”, “vriendschap”. De betrokkenheid van God, wordt door de dichter beantwoord met zijn inzet voor het leren, het kennen, het overpeinzen van de geboden, de inzettingen, de orders, de overeenkomsten. Allemaal begrippen die telkens weer in psalm 119 worden herhaald, en die de lering, de Thora van God aanduiden.

Maar net zoals in de voorafgaande strofe, de negende met de letter teth, klinkt ook hier een als het ware schurende klank: Oussoren vertaalt:  
Je rechtsregels, Ene, wist ik gerechtigheid, ✡
en trouw, ook toen je mij liet bukken.

Dit vers roept de oeroude, steeds terugkerende en gerechtvaardigde vraag op: waarom lijdt de mens, waarom wordt hij onderdrukt. Waarom doet God de mens lijden?
Als we naar andere vertalingen kijken zien we hoe de Hebreeuwse tekst verschillend gehoord en geïnterpreteerd kan worden: 

Statenvertaling: 
Ik weet, HEERE ! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, 
en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.

Herziene Statenvertaling
Ik weet, HEERE, dat Uw oordelen rechtvaardig zijn 
en dat U mij in Uw trouw verdrukt heb 


Willibrordvertaling 1995
Ik weet, HEER: uw bestel is rechtvaardig, 
U bent trouw, ook als U op de proef stelt. 

Bijbel in Gewone Taal: 
Ik weet dat uw wetten rechtvaardig zijn. 
U strafte mij, omdat u van mij houdt.

De inspanning de Hebreeuwse tekst “over te zetten” in onze taal wordt -zoals we aan deze verschillende vertalingen kunnen zien- ook beïnvloed door onze eigen vragen, door onze eigen moeiten die we hebben met deze tekst.  Is God nabij, betrokken ook al onderdrukt hij ons (Oussoren) of worden we door hem gestraft omdat hij van ons houdt (Bijbel in gewone taal)?
De grote vragen van het leven, van pijn en lijden, van nabijheid en druk kunnen zo aan de orde komen, alleen al door intensief te kijken naar de vertaling van een paar woorden……

 

De letter kaf:

“Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil”

Vertaling: Statenvertaling
81 Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.
82 Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging,
terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten ?
83 Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook;
doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.
84 Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn?
Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers ?
85 De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
86 Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
87 Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
88 Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, 
dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden

Twee sterke beelden komen in deze strofe van psalm 119 voor: ”ik ben geworden als een (uitgedroogde) leren zal in de rook” en “hoogvaardigen groeven putten”.  Beide beelden duiden op einde, aan het eind komen, ondergaan….. De dichter voelt zich wanhopig tot het einde toe. Deze gevoelens worden bevestigd door het woord waarmee de strofe begint: “kalta”  - in onze vertaling: bezweken van verlangen”. 
Dat eerste woord is lastig te vertalen. Enerzijds betekent het ‘kaar zijn, voleinden, anderzijds kan het ‘zich uitputten, afmatten’ aanduiden,  maar ook  “hongeren naar, smachten”….. 
Het is duidelijk dat de Statenvertaling heeft geprobeerd de nuances van dit woord in een beschrijvende vertaling te vertolken: mijn ziel (het woord ziel is in de bijbel niet het onstoffelijke deel van de mens, maar staat voor : ‘leven’.) is bezweken van verlangen….
Dit komt overeen met de hele klankkleur van deze strofe: drie keer (vs. 81,82 en 87) komen vormen van het werkwoord van bezweken zijn, beëindigen, op zijn,  in deze acht regels voor:  de dichter voelt zich achtervolgd, belaagd, door leugens onderuit gehaald: “help mij” roept hij uit. Wanneer troost jij mij?  Doe mij leven…. Ik ben uitgedroogd als een door rook gebarsten wijnzak…..  terwijl jouw geboden toch “waar”, dat wil zeggen betrouwbaar zijn.
In de rabbijnse literatuur worden deze woorden van wanhoop gehistoriseerd in het leven van koning David. De “putten” zijn de herhaalde pogingen van zijn tegenstanders hem listig onder uit te halen. Saul en Absalom bedachten leugenachtige woorden om hem te vernietigen. 
Toen we met een kleine groep –in corona tijd- deze strofe lazen zei een van de deelnemers: ik herken in het smekend verlangen, nu ik het bijna niet meer kan uithouden, mijn eigen situatie, onze situatie: naar bevrijding, opluchting, heil….
Actualisatie of historiserend: de woorden herkennen we als werkelijk.


Terug
 
Meer informatie Facebook   ANBI-register Doopsgezinde Gemeente Zaanstreek
contact maandblad privacy
routebeschrijving nieuwsbrief disclaimer
veelgestelde vragen inloggen colofon
2021 Doopsgezind.nl